... Onder de afgemeten, weloverwogen, zeg maar vestandelijke vorm, kolkt een lavastroom van gevoelens uitgelokt door de weerhaken van het leven. Heldere woorden vangen flitsen van diep doorleefde emotie, spaarzaam rijmende en hoogstbevallige klanken graveren scherpzinnig waarnemingen en twee-of drieregelige strofen typeren haarfijn een mens, een gebeurtenis...


Yves van Durme,

voormalig schrijfdocent KADE (Deinze) en Kreatief schrijven

RECENSIES 

Recensie Yves T'Sjoen

Het samenspel van stemmen in de kunst is een intrigerend procedé. In de muziek en in de lyriek bestaan beroemde voorbeelden van polyfonie of meerstemmigheid. Luc C. Martens en Steven van der Heyden kiezen in Tot ze koud is voor een (veel)stemmige werkvorm, een spannend duet waarin lyrische akkoorden interageren op een elkaar verrijkende manier. Ze treden met elkaar in gesprek, over de verhouding van het ik tot de vrouw en de (on)voorspelbare kronkelwegen van de liefde. In de moderne Nederlandse literatuur zijn niet zo veel meerstemmige gedichten bekend, en hiermee bedoel ik expliciet: gedichten die door twee of meer auteurs zijn gecomponeerd. Voor het overige is de lyriek bezaaid met veelstemmigheid.
Voor mij zijn de meest sprekende tweestemmige gedichten verzameld in De zon en de wereld (2003) van Arjen Duinker. Het lang uitgesponnen gedicht ‘De wereld’ is typografisch weergegeven op papier; op de aan de bundeluitgave toegevoegde luister-CD kan de lezer/luisteraar de voordracht van ‘De zon’ ervaren, voorgelezen door Arjen Duinker en Kees ’t Hart. De teksten van Duinker zijn volgens de genreaanduiding ‘Gedichten voor twee stemmen’. Het compositieprincipe dat ten grondslag ligt aan het dichtwerk van Duinker, met “grote dank aan Kees ’t Hart”, is volstrekt anders opgevat dan de werkwijze van Martens en Van der Heyden. ‘De wereld’ is een ononderbroken woordenstroom waarin stemmen elkaar in een snel tempo afwisselen met een repetitieve structuur, letterlijk met veel woordecho’s, woord- en zinsherhalingen. De repetitio zorgt voor een dwingend ritme. Arjen Duinker is de auteur van De zon en de wereld, Kees ’t Hart is de tweede voorlezer van ‘De zon’. Dat levert spannende poëzie op, het is een geslaagd experiment met tweestemmigheid.
De duo-bundel, het tweestemmige Tot ze koud is, dat we vandaag boven de doopvont houden, is compositorisch helemaal anders opgevat dan De zon en de wereld. De vier afdelingen omvatten ieder tien gedichten. De afdelingen één en drie zijn unisonoor, eenstemmige dichtcomposities respectievelijk van de hand van Luc Martens en Steven van der Heyden. De afdelingen twee en vier daarentegen zijn gestructureerd als een samenklinken van twee stemmen, telkens vijf gedichten van elke auteur. De verwevenheid van stemmen, zoals in De zon en de wereld, is in Tot ze koud is minder radicaal doorgevoerd.
Staat u mij toe eerst iets te zeggen over de vormgeving, het nec plus ultra van de kunsten. De overzichtelijke symmetrie in de tekstarchitectuur, met in totaal twintig gedichten van elk auteur
én visueel en aanschouwelijk gemaakt in de inhoudsopgave, zien we terugkeren op micro-structureel niveau. Beide dichters zijn rigoureus te werk gegaan. Méér compositorische harmonie is niet haalbaar. Er kan in de meest strakke definitie van het woord worden gesproken over een duet. De dichters hanteren in hun gedichten een klassieke versstructuur, met coupletten, terzinen of kwatrijnen, af en toe afgewisseld door een beheerste variant: een strofe die wordt opgesplitst in twee en één regel, soms een tekstvorm die de doorgaans regelmatige opbouw met de versvoeten treedt.
Over thematiek en motieven deel ik graag met u enkele bespiegelingen. De tweestemmige bundel beweegt van lichamelijke hymne voor de vrouw (de onbezonnen liefde) naar een ontluisterend beeld (de verdorven liefde). In de openingsafdeling ‘Tot zij godin is’ wordt de geliefde dithyrambisch en dus met overgave aanbeden door de ik-verteller. In lichamelijke metaforen, met aandacht voor de sensualiteit van de zij-figuur, in sensitieve beeldenreeksen, wordt de vrouw in haar weldadigheid geboetseerd. Zij doet denken aan die boomgaard van Hugo Claus, die in het gedicht ‘Ik schrijf je neer’ in juli zwelt en bloeit. De expansieve weelde van de verbeelde vrouwenfiguur wordt op een belijdende en aanbiddende toon geformuleerd. In het gedicht ‘Tussen lippen en wijn’, “bekijkt” de hij-figuur “haar zijwaarts”, hij “ruikt” “haar”, “hij zuigt haar aan. zijn tong rolt / tussen zoet en zuur”. Een dithyrambe is een loflied voor de wijn. Het adembenemende ritme, het opzichtige gebruik van assonanties en alliteraties (klinker- en medeklinkerrijmen), dragen aanzienlijk bij tot het genus demonstrativum dat tegelijk aan de vrouw en haar zintuigelijke vermogens wordt opgedragen. Er is in de woordenstroom geen onderbreking door hoofdletters. Zinspunten dienen hoogstens om even adem te halen, de gedichten sluiten niet af met een eindpunt. De liefde wordt gulzig gedronken, ze wordt als in een extase ervaren, in erotische metaforen wordt de osmose tussen ik en zij, de aanhankelijkheid en eenwording der geliefden, bezongen: “tot we elkaars brandpunten werden”. In deze openingsafdeling valt het kleurgebruik op: “rood / [is] de gloed van zijn ogen”, “geen gras dat groener is of alpenwei / vol bloemen”, “van alle kleuren wil hij het rood van avond” (in ‘Bruid van bergen’). Tegen het eind van de tiendelige gedichtenreeks steekt voor het eerst de twijfel de kop op, de angst voor “het drijfzand van het verloren paradijs” (in ‘Doorgespoeld’). Het afsluitende gedicht van de cyclus ‘Tot zij godin is’, ‘Zuster Ursula’, verbindt het religieus-sacrale beeld van de non (“symfonie van zwarte en wit”) met een erotische dimensie. De aanbidding van het kruis mag in lichamelijke zin en niet alleen metafysisch worden gelezen. Beide registers lopen hier door elkaar.
Tussen de analoog geformuleerde afdelingstitels ‘Tot zij godin is’ (afdeling 1) en de afsluitende vierde reeks ‘Tot zij koud is’, ligt een wereld van verschil. De angst voor het verlies leidt tot een zoektocht van het ik naar de ander – zoeken om finaal niet meer te vinden. De vrouw is niet langer het beeld dat de masculiene verteller er zich bij voorstelt (de muze, de sensuele gestalte, de prooi voor zintuiglijk genot). Zij maakt zich los uit dat mannelijk discours en toont “veerkracht” (ook de titel van een gedicht). De vrouw is zelfredzaam, zij is sterk en heeft die mannelijke blik niet nodig om überhaupt te bestaan. Ik lees ‘Sterke vrouwen’:


links voor de haard zit zij
water bij de hand. ik schuif aan,
haar huid en blik enteren mij,
ogen priemen in de mijne
zonder woorden verkennen we,
herkennen de verloren strijd
ons lief nog lief te hebben.
we bestellen wijn
en rib-eye, medium gebakken
sterke vrouwen schouderen elkaar,
delen elkaars druiven, drinken
enkel water nà de wijn


De dithyrambe in afdeling 1, aangeheven vanuit mannelijk perspectief en etymologisch refererend aan een ode van Bacchus aan de wijn en de roes, heeft plaats geruimd voor een ode aan de sterke vrouw, die de ik-verteller entert, ze “schouderen elkaar” en ze “delen elkaars druiven”. De verwijdering tussen ik en zij wordt almaar concreter: er is sprake van “onze onvoltooide symfonie / de ogen gesloten zoeken wij de juiste sleutel”. De osmose is allang verleden tijd. De nadruk gaat almaar méér liggen op het onvolkomene, het vergeten en de herinneringen, het loslaten, zoals in de regel “hoe iets loslaten altijd voorgoed moet zijn”.
Hoe contrastief zijn de vrouwengestalten die in de twee laatste cycli worden gepresenteerd. De vrouwen die figureren in de afdeling met de alleszeggende titel ‘Wie zal ons bewaren?’
ondergaan veroudering, vereenzaming, verwijdering van de ander. Zij vergeten, en ze zijn het voorwerp van vergetelheid. Ik citeer het titelgedicht van afdeling 3:


Wie zal ons bewaren?
onze bewegingen werden tweedehands
traag scheurde ons nest uit de lakens
in onze ogen lazen we elkaar niet meer
we slenterden binnen het bereik van gewoonten
wendden ons af van het verleden, verbruikten
alle woorden
in anderen zochten we naar beschutting
ontwaken doen we op eigen kracht


De samensmelting met de ander is als een verre wensdroom voorgoed verleden tijd. De woorden zijn ‘verbruikt’, er is alleen nog het routineuze bestaan, “binnen het bereik van gewoonten”. De ik en de jij lezen “elkaar niet meer [in onze ogen]”. Zelfs “onze bewegingen werden tweedehands”. De handelingen hebben hun oorspronkelijkheid prijsgegeven. Ik haal enkele fragmenten aan: “te oud om de liefde te betreuren” / speel ik enkel nog in blessuretijd”, “vreemde handen helpen me koers te houden / want van blijven staan, rest enkel het breken”, “mijn geheugen, een reiziger / met een lege aankomsthal voor zich”, “we verzamelen het zwijgen / hierin zijn we elkaar het meest nabij”. Er is een behoefte aan geborgenheid, nestwarmte, maar het op zichzelf teruggeworpen zijn haalt de bovenhand. Helemaal ontnuchterd is de lezer in de slotreeks ‘Tot ze koud is’, bestaande uit vrouwenbeelden die detoneren met de gloedvolle godin waarvan nog sprake in de openingsreeks van de bundel. We lezen hier in ‘Kindhuwelijk’ over een moeder en de dochter die wordt uitgehuwelijkt, ‘Tussenmoeders’ – “ze dragen gekleurde hoofddoeken / en zware rokken / spreken de taal van een land / dat niet meer bestaat”. De actualiteit komt schrijnend om de hoek loeren. Er staan wel meer maatschappij-betrokken vrouwengedichten in deze verzameling. De bewonderde muze is naast een liefhebbende moeder een uitgewoonde en gehaaide hoer geworden. In ‘Nachtdier’, ‘Het raam voorbij’, ‘Betaald’. De liefde is kil en berekend, verraden en te koop
gesteld, ze is verworden tot “verwilderde ogen in een dood gezicht”, tot ze “koud” is. De vrouw is van een begeerd en begeesterend personage een regerende leeuwin, een ‘Lion Queen’:


ze regeert mannen die liefde geven
aan vrouwen van één nacht. zij wint
van jakhals en hyena, gieren geeft ze
geen kans achter haar gordijn van glas
zullen zij zich onderwerpen? voor haar
op jacht gaan, vechten, de prooi bewaken
tot zij honger krijgt? zullen zij haar manen
schikken, haar klauwen brengen als ontbijt?


Voor de retorische vragen zijn geen evidente antwoorden. De weg van Eros naar Thanatos is in veertig gedichten afgelegd: van begeerte naar vijandschap, van goedvolle warmte naar “een zwarte bladzijde, tot ze koud is” – de slotwoorden van de bundel. Kleuren hebben inmiddels een andere connotatie gekregen: het rood refereert niet meer aan passie. In het slotgedicht zijn “zijn vingers // warm en rood op haar huid” symbool voor pijn en bedreiging.


Luc C. Martens en Steven van der Heyden hebben met Tot ze koud is een beklemmende bundel gecomponeerd. Het duet of dus het samenklinken, ook het detoneren, van twee stemmen volgt een weg die van begeerte naar ontluistering leidt. De vrouwengestalten zijn met zin voor detail in taal gevormd, met opvallend veel aandacht voor het zintuiglijke. Er heeft geleidelijk een verschuiving plaats, een teloorgang, tot alleen nog de koude overblijft. Zorgvuldig is dit narratief gecomponeerd, met zin voor ritme, beeld en structuur. Ik kan u allen de lectuur aanbevelen. Uitgeverij P wens ik te danken voor de zorgzame uitgave. Aan mijn bibliografisch lijstje met dat bijzondere “gedicht voor twee stemmen”, De zon en de wereld, voeg ik hoe anders van structuur en textuur ook, vanaf vandaag Tot ze koud is toe.


Recensie Elvis Peeters

Met hun gezamenlijke bundel “Tot ze koud is” nemen Luc C. Martens en Steven Van Der Heyden meteen heel wat hooi op hun vork. Blijkbaar schrikt het hen niet af. En dat is het minste wat we hopen van een dichter te mogen verwachten. Toen Steven mij over de bundel inlichtte en mij hem later ,00k ter lezing bezorgde, moest ik spontaan denken aan een van de grootste krachttoeren uit de geschiedenis van de moderne poëzie. Toen de bundel eerst verscheen, kon hij onder critici eerder, op een bescheiden onthaal rekenen. Niettemin werd hij al vlug een mijlpaal in de geschiedenis van de Engelse literatuur, en zou hij het aanzien van de poëzie grondig beïnvloeden zo niet veranderen. Tegenwoordig wordt de bundel beschouwd als het startpunt van .de Romantiek in de Engelse literatuur. Ik heb het over de bundel “Lyrical ballads” van William Wordsworth en Samuel Taylor Coleridge die verscheen in 1798.

Wordsworth en Coleridge waren toen jongemannen die samen hun eigen en nieuwe poëtica wilden tonen én bewijzen. Getuige ook de “advertisement” waarmee de bundel opent en het voorwoord dat Wordsworth toevoegde aan de tweede editie, dat hij nog uitbreide voor de derde editie. Een voorwoord dat later door critici werd beschouwd als een Manifest van de Romantiek.

Ondertussen kennen we het oeuvre, leven en werken van Wordsworth en Coleridge, ze zullen daar niets wezenlijks meer aan toe voegen. Hun tijdperk ligt achter de rug, het grootste deel van hun respectievelijke oeuvre echter staat als een huis.

Van Steven en Luc weet ik vrijwel niets. Luc ken ik van naam en enkele eerdere publicaties, Steven ontmoette ik tijdens een workshop waar hij zich een gedreven en overtuigd dichter toonde. Wel weet ik dat ze dus niet aan het begin staan van hun oeuvre,- niet de jongemannen zijn die menen een nieuw ijkpunt voor de poëzie, of een paradigmashift zoals dat in meer pretentieuze publicaties wordt genoemd, te moeten grondvesten. Ik lees hun bundel en ik merk dat ze de poëzie willen laten spreken binnen het idioom van wat ondertussen in ons taalgebied een verworvenheid is geworden.

Maar het opvallende is dat ze, zonder “advertisement” of voorwoord, een gezamenlijke bundel hebben gecomponeerd die heel consistent een thema vanuit verschillende invalshoeken belicht. Zit het romantische van deze bundel in het feit dat . het om de vrouw, de liefde, overspel, begeerte, lust, prostitueebezoek, enz. gaat? Ongetwijfeld. Maar het is niet langer de romantiek uit dé Romantiek, de esthetische stroming van toentertijd. Het is de alledaagse, moderne, ietwat lapidaire romantiek

die ons ook Valentijn, Mistress Day en Temptation Islands en Tinder heeft opgeleverd. Een bundel die in de volle actualiteit staat van het zoeken naar veiligheid en . geborgenheid dat zich ook op de microschaal van het gezin en de liefdesrelatie in al zijn sterktes en zwaktes laat voelen. Het gaat zelfs nog verder,, tot op wat we misschien het nano-niveau kunnen noemen van .het .versplinterde ego. Zo staat heel in het begin van de bundel het motto:

" Ze vraagt zich af hoe vaak ze in spiegels bestaat, hoe weinig in wij "

Heel subtiel wordt de taal hier gemanipuleerd. Het motto luidt niet

" Ze vraagt zich af hoe vaak ze in spiegels bestaat, hoe weinig in ons ", er staat wel degelijk "hoe weinig in wij".

Is dat geen echo van het “wij” waar in deze tijden van identiteit denken zo vaak naar gezocht wordt, zowel om ons te verenigen als om ons te verdelen? En er gebeurt nog iets in deze ogenschijnlijk eenvoudige zin, niet met de taal zelf, maar met de zegging van wat ons hier wordt voorgehouden.

Ze vraagt zich af hoe vaak ze in spiegels bestaat, dat is een vraag naar tijdstippen, naar herhaling in de tijd, maar tegelijkertijd wordt gesuggereerd dat het bestaan in die spiegels ligt, dus niet in het eigen geleefde zelf, maar in iets dat slechts de weerschijn kan zijn van het geleefde. Het bestaan wordt hier buiten het geleefde gelégd, in de schijn. Misschien wel de Platoonse werkelijkheid. En meteen daarop wordt de vraag gesteld hoe weinig in wij ze zich bevindt. Hoe vaak in spiegels, hoe weinig in wij. Vaak staat hier tegenover weinig, maar “vaak” .duidt op herhaling, tijd, “weinig” op hoeveelheid, volume. De zin had veel eenvoudiger, eenduidiger geweest wanneer er stond: “Ze vraagt zich af hoe vaak ze in spiegels bestaat, hoe zelden in ons” of “Ze vraagt zich af hoe veel ze in spiegels bestaat, hoe weinig in ons”. Maar dat staat er dus niet.

Meteen wordt een mogelijke draagwijdte van de bundel aangegeven. Het gaat om bespiegelingen waarin een vrouw - dé vrouw? - centraal staat en in welke mate zij een schim is en/of een deel van onszelf, gezien als een wij, een gemeenschap. Daarmee hebben we een motto, en de bundel moet nog komen.

De bundel “Tot ze koud is” lijkt heel programmatisch opgebouwd. In vier reeksen van tien gedichten waarvan elke dichter een gehele reeks op zich neemt; en van twee reeksen ieder de helft.

De dichters laten er geen twijfel over bestaan, welke vrouw het is die deze bundel manipuleert. Het eerste gedicht draag meteen als titel “Mijn godin”. De reeks waarvan dit het eerste gedicht is en die de bundel opent luidt “Tot ze godin is”. Die eerste reeks lijkt de evocatie van een prille liefde uit te drukken. Ze begint met een rijpe man die de intense uren met zijn godin bezingt en eindigt met het ongeloof dat naast zo’n godin ook een vrouw als non kan bestaan. Daartussenin worden mooie momenten uit een liefdevol bestaan tussen mán en vrouw beschreven” of gesuggereerd.

Alsof het bestaan met een godin te veel vergt van de man, heet de volgende reeks heel deemoedig - of is het misschien laf? - “Ik ben het die wegsluipt”. Een motto bij de reeks onthult al veel:

in jou kan ik niet wonen, er zijn teveel nooduitgangen”

Let ook hier op het dubbelzinnige, het meerduidige. Iemand wil in iemand wonen, moesten er minder ontsnappingsmogelijkheden bestaan. Net omdat die ontsnappingsmogelijkheden zo ruim voor handen blijken, is het niet mogelijk er te wonen. Het is niet zo dat de ik opgesloten zou worden in de jou als in een cel, dat het hem onmogelijk maakt, maar het tegendeel. Schrikken de ontsnappingsmogelijkheden hem af of wijst hij ze af? Dat is het mooie, maar ook, moeilijke van taal, dat je er veel niet mee kunt zeggen, door het te zeggen.

Een tweede motto bij die reeks is een lapidaire mededeling die ook veelzeggend is:

Dit zijn we geworden: twee mensen die hun best doen, een handdruk die een omhelzing had kunnen zijn”

Een reeks van gemiste kansen tussen twee mensen dus. Misschien wel om wat ons uit het eerste motto duidelijk werd.

In deze reeks wordt inderdaad meer ingegaan op het mogelijke en soms daadwerkelijke echec van de liefde, of breder, van de verhouding van een man met een vrouw. Met de man in de rol van degene die de rol lijkt te lossen.

in deze kamer die niets van ons zal onthouden laten we onze lichamen achter als uitgetrapte schoenen”

merkt de dichter op, nadat hij reeds het volgende vaststelde;

als verstekelingen in oude aarde graven we kille geuren op, willen we afdrukken bewaren tasten ons een weg richting vergeten”

Hoe wanhopig moet je zijn om je een weg te tasten richting vergeten, dus het vergeten actief opzoéken, terwijl je tezelfdertijd afdrukken wil bewaren? Let wel, afdrukken, geen indrukken, terwijl ze toch geuren opgraven. Alle zintuigen, ook het zesde, worden hier opzettelijk door elkaar gehaald. Misschien om de wanhoop, het tot niets leiden, te beklemtonen. Ze doen het trouwens niet openlijk, maar als “verstekelingen”. En aan het slot laten ze niet zichzelf, maar hun lichamen achter. Dan kan er als verstekeling alleen maar een dubieus ik resten. Ernstiger, fataler kan een echec niet worden, dunkt mij.

De volgende reeks heet dan ook niet voor niets “Wie zal ons bewaren”.

in anderen zochten we naar beschutting ontwaken doen we op eigen kracht”

luidt het al snel, alsof het beschutting zoeken - en misschien niet vinden - in een droom gebeurt.

Maar “in dit leven zijn geen nooduitgangen” klinkt het hier, wat een echo lijkt van een eerder motto waarover ik het al had. Het leven is wat het is, misschien wel dat spiegelbestaan waarover ook eerder al sprake. Maar het blijkt nog erger, want al bij al

is het een troost te weten dat geen spiegel ons. beeld zal vasthouden”

stelt de dichter vast. Zelfs dat spiegelbestaan is gedoemd. En dan wordt het leven wel heel sterfelijk.

De laatste reeks met de finale titel “Tot ze koud is” belooft dan ook weinig goeds. Want is “koud zijn” geen metafoor voor iets levends dat_ dood ging?

In deze laatste reeks breekt af en toe een maatschappelijke problematiek door in de Sundel, een bedelares, een kind huwelijk, een aangespoelde drenkeling, huiselijk geweld, hoerenbezoek.

Twee dichters hebben hun schouders gezet onder één project: deze gezamenlijke bundel. En ze lijken die heel doordacht gecomponeerd te hebben. Want niets in deze bundel is wat het lijkt, niet de individuele gedichten op zich zijn beklemmend, maar de bundel als geheel voor wie de her en der verspreide beelden bij “elkaar weet te lezen. Het ene beeld, vaak listig gevat in een terloopse formulering, versterkt het andere of steekt het aan. Alsof het ene gedicht de brand jaagt in het andere.

Want de bundel is in heel eenvoudige taal geschreven, geen moeilijkdoenerij, geen hermetische poëzie hier, maar vaak heel gewone spreektaal.

En daarmee staan ze dichter bij Wordsworth en Coleridge dan we aanvankelijk vermoedden.

In zijn “preface” bij de tweede editie van de “Lyrical ballads” schreef Wordsworth:

“I do not doubt that it may be safely affirmed, that there neither is, nor can be, any essential difference between the language of prose and metrical composition”

Dat zullen deze dichters wellicht alleen maar kunnen beamen.

Recensie Yves T'Sjoen


Het stadsdichterschap als institutie, als dusdanig enkele eeuwen oud en overgewaaid uit een Angelsaksische traditie, is de voorbije decennia in de Lage Landen nieuw leven ingeblazen. Centrumsteden hebben al langer het dichtersambt geïnstitutionaliseerd. Luc C. Martens is de stadsdichter die in Deinze de aimabele en intussen overleden Martin Carrette opvolgt.

Het eerste gelegenheidsgedicht is een pakkende hommage aan zijn overleden dichtersvriend. In de publieke sfeer heeft Martens de voorbije vijf jaren gelegenheidsgedichten geschreven en gepresenteerd in opdracht van het stadsbestuur, met het particuliere accent van een gevoelig en empathisch observator. De productie van de stadsgedichten staat niet buiten het dichterlijke werk dat eerder is gebundeld. De toon en de motieven die we kennen uit de dichtbundels van Martens treffen we op elke bladzijde aan in deze verzameling.

 

Het lyrische subject, telkens prominent aanwezig, verwondert zich met romantische blik over het alledaagse, het kleine detail. De stad wordt verpersoonlijkt, verinnerlijkt. In ‘mijn stad’ is ze een beminde apostrof in de reflecties van ik-persona. Registraties en mijmeringen wisselen af in deze dichtkunst. In de stadsgedichten krijgt de natuur, de pastorale omgeving van Deinze en Leiestreek, een plaats. Bijzonder is de reeks ‘Canteclaerfeesten’, met de verwijzingen naar Van den Vos Reynaerde, maar ook de seizoenencyclus aan het begin van de bundel voegt zonder meer een dimensie toe aan het dichterschap.

 

Vormvaste gedichten en beeldende kunst gaan in deze uitgave een beeldrijke dialoog aan. Aan het einde van de bundel zijn een selectie uit interviews en de toespraak als intendant van de Vlaamse Poëziedagen in het kasteel van Ooidonk opgenomen. Het is een van de succesvolle culturele initiatieven die de stadsdichter van Deinze op het getouw heeft gezet.


Recensie Roel Richelieu van Londersele


Het stadsdichterschap is een van de moeilijkste taken die een dichter kan aanvaarden. De slechte stadsdichter blijft in zijn toren zitten, de betere leest zijn actuele, stadsgebonden onderwerpen op het  plein, de beste voegt daar nog samenwerking met locale verenigingen en kunstenaars aan toe. Die dichter gaat de grootste uitdagingen niet uit de weg en begeeft zich op glad ijs. Luc C. Martens koos duidelijk voor deze derde optie. Hij bleef gemakkelijk overeind en dat gedurende vijf jaar! Weinigen zullen het hem nadoen en Deinze mag zich gelukkig achten: het maakte de juiste keuze.

  

Roel Richelieu van Londersele, eerste stadsdichter van Gent, schrijfdocent bij Wisper en redacteur van ‘Het gezeefde gedicht’.

 

 

Yves Van Durme over de poëzie van Luc C. Martens

 

Vreemd toch.  Leer je Luc C. Martens kennen terwijl hij zijn gedichten voordraagt, dan laat zijn stemtimbre je niet meer los als je zijn poëzie leest.   Dan ontdek je ook hoe authentiek zijn gedichten zijn: onder de afgemeten, weloverwogen, zeg maar, verstandelijke vorm, kolkt een lavastroom van gevoelens, uitgelokt door de weerhaken van het leven. Heldere woorden vangen flitsen van diep doorleefde emotie,  spaarzaam rijmende en hoogst bevallige klanken graveren scherpzinnige waarnemingen en twee- of drieregelige strofen typeren haarfijn een mens, een gebeurtenis.

Luc C. Martens vereeuwigt anderen en, mooi meegenomen, ook zichzelf.

 

Yves Van Durme, schrijfdocent bij de Academie voor Muziek, Woord en Dans Deinze en bij vzw Creatief Schrijven.

 

 



Recensie Tony Rombouts in De auteur


Recensie Martin Carrette


"De dingen zijn niet allemaal zo gemakkelijk te begrijpen en te verwoorden als men ons meestal wil doen geloven; de meeste gebeurtenissen zijn niet te verwoorden, ze voltrekken zich in een ruimte die nog nooit door een woord is betreden.” Woorden van een dichter, Rainer Maria Rilke, in zijn “Brieven aan een jonge dichter”. Daarin definieert hij het werkveld van de dichter: “een ruimte die nog nooit door een woord is betreden.” Hij ziet voorwaarden, eenzaamheid en geduld: “… De zomer komt toch. Ik leer dat iedere dag, ten koste van pijnen waarvoor ik dankbaar ben: geduld is alles. … En grote innerlijke eenzaamheid … hij moet zich in het stilste uur van zijn nacht afvragen: moet ik schrijven?”
En precies dat gebeurt in de debuutbundel Hoop op stille muren van Luc C. Martens, de nieuwe stadsdichter van Deinze: een afdaling in het binnenste van een dichter, waar de onvermijdelijke vraag gesteld wordt: moet ik schrijven… ? De bundel wordt ingeleid met een PROLOOG en een motto ontleend aan Miriam Vanhee: Wat zal ik zeggen / als de bomen ruisend / de avond inzeilen en/ ik droef word van dit/ schrijven alleen in de nacht. Hoort u de echo van Rilke al? Het openingsgedicht heeft als titel een nachtelijk uur, 04.44 u, een uur waarop de meeste mensen slapen. Maar de dichter niet, hij schetst ons een beeld van het harde, dikwijls nachtelijke labeur dat dichten is: “ik schreef op dode uren, op muren zonder slaap…” De dichter raapt met veel moeite een schaarse buit bij elkaar, “de kruimels van een nieuw gedicht”.Dit gedicht verraadt ook een grote technische vaardigheid: een zeer subtiel spel met binnenrijm - al lijken dit op het eerste gezicht alleen maar vrije verzen…
IN DE ECHO VAN HET ONVOLMAAKTE is de titel van de eerste afdeling, of moet ik met Rilke zeggen afdaling, want de dichter analyseert hier diepgaand sterk emotioneel geladen momenten uit het leven. Eén van mijn lievelingsdichters, William Wordsworth: poetry is emotion, recollected in tranquillity… Lees er de gedichten zus 1 en zus 2 in deze afdeling maar op na bijvoorbeeld: poëzie geworden tranen. Het leven zoals het is. Én observatievermogen, kunnen kijken, zien waar anderen overheen kijken, een van de sterke kanten van deze dichter.
ER WAS ENKEL SNEEUW, de tweede afdeling, heeft een motto van Fernando Pessoa: Geef me een glas wijn, want het leven is niets… De dichter analyseert, diep in zichzelf teruggetrokken, hoe de wereld rondom hem in elkaar steekt, er klinken gevoelens van ontgoocheling door, er is zo veel vergankelijkheid, “ de aarde zuigt de dichter leeg”, “hij krimpt, versteent”. Maar juist daarom bestaat kunst, bestaat poëzie, omdat wij doodgaan, omdat, zegt Pessoa, het leven niets is. En de dichter gaat nog dieper delven in zichzelf en in de ruimte die nog nooit door een woord is betreden, in de cyclus DE GLAZEN LEEG, ingeleid met een motto van Luuk Gruwez: Niemand zal met mij verdwijnen wanneer ik straks mijn einde vind. Vergankelijkheid, hoe machteloos wij staan, hoe we, ik citeer uit het gedicht Bloem: “niet weten/ wat te zeggen tegen de klimop/ we leggen onze laatste woorden/ in de witte rozen van november”. Poëzie, zou dat dan toch een vorm van therapie zijn?
In de zes gedichten van SCHRIJVEN OP DRIJFZAND komt de auteur nog dichter bij de kern van de zaak: tijd voor de slotsom, hij moet in het reine komen met het verleden … Wat een mooi, zesvoudig, ontroerend vaderportret, wat een observatievermogen, van zowel de materiële als de innerlijke werkelijkheid, vol rake typeringen: -“hij was de meester van het oude hout” - “de vingers dun als krijt” - “ ’s avonds aan de keukentafel zweeg vader/ een mond vol stilte en zure haring.”
In de laatste afdeling, HOOP OP STILLE MUREN, komt het antwoord op de vraag: moet ik schrijven? Hugo Claus formuleerde het zo in een van zijn Shakepeare-sonnetten, er is “de tijd, die mijn nekvel bijt”. Het moet nu maar, de tijd begint te dringen, het huis is leeg, “het kind in mij is op”, klinkt het, maar hij wil, mag het nog niet aanvaarden, hij is nog te jong om te winteren, er is zijn “tere hoofd, vol onafgewerkte verzen.” Er is “de hoop op stille muren”. Het laatste gedicht in de bundel, een “envoi”, draagt de titel: “Wanneer ik in mij ben”. Daar is Rilke weer: “Grote innerlijke eenzaamheid. Urenlang diepgaan in zichzelf.” Een sterke bundel, die veel goeds laat vermoeden.
Februari 2014
©Martin Carrette, stadsdichter Deinze 2010-2013